Naar ACTUELE ITEMS

Honderd jaar geleden werd de wereld getroffen door een pandemie die aan een geschatte 50 tot 100 miljoen mensen het leven kostte: de Spaanse Griep. Een veelvoud van het aantal slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Toch is de Spaanse Griep (1918-1920) in veel historische werken over de twintigste eeuw niet meer dan een voetnoot. Ten onrechte, zo stelt wetenschapsjournaliste Laura Spinney in De Spaanse Griep (De Arbeiderspers, 2018).

Wereldwijd kreeg maar liefst een op de drie mensen – een half miljard – deze griep, van wie een geschatte 50 à 100 miljoen overleden. In totaal stierf 2.5% tot 5% van de wereldbevolking aan het virus. Hiermee was de Spaanse Griep de grootste killer sinds de Zwarte Dood, die in de Middeleeuwen miljoenen levens eiste.

Vrij algemeen wordt aangenomen dat de Spaanse Griep begon op 4 maart 1918 in Camp Funston in Kansas, op een Amerikaanse legerbasis. Hier overleed de kok Albert Gitchell aan de griep. Toen de geallieerden naar Europa vertrokken om te vechten in de wereldoorlog, werden ze ingeënt met 14 tot 26 vaccinaties. Mogelijk heeft die combinatie onbedoeld een chemisch bijeffect gehad, wat leidde tot het virus. Ook zou hun lichaam door al die ingeënte antistoffen dusdanig overbelast zijn geweest, dat er een verandering plaatsvond bij de aanmaak van antistoffen.

Een tweede gangbare theorie is dat de pandemie zijn oorsprong had in China in de jaren 1917-1918. Volgens diezelfde onderzoekers was de Spaanse griep een gemuteerd varkensvirus. Een derde theorie wijst de plaats Étaples in Frankrijk tijdens de Eerste Wereldoorlog als startpunt aan. Ten slotte zijn er onderzoekers die wijzen op de Spaanse Griep als een variant van gemuteerde vogelgriep.